Erfelijke oogafwijkingen door M.H. Boevé en F.C. Stades

Bij veel diersoorten (waaronder ook de mens) komt een groot aantal erfelijke oogaandoeningen voor die eventueel tot blindheid kunnen leiden. Ook bij de hond spelen tientallen erfelijke oogaandoeningen een rol. Vaak is het zo dat één of meerdere van dergelijke oogziekten bij een bepaald ras duidelijk vaker voorkomen dan bij een ander ras of bij kruisingen.

Bij de Jack Russell Terriër wordt vooral een tweetal erfelijke oogziekten regelmatig vastgesteld, namelijk lensluxatie (loslating van de ooglens door degeneratie van het "ophangsysteem") en cataract (lenstroebeling, grijze of grauwe staar). Ook wordt er soms distichiasis vast gesteld. De laatste tijd zien we vaak MMP aangetekend worden op het Ecvo-formulier.

Bij gewervelde dieren worden de oogbollen beschermd door de weefsels die er omheen liggen (afbeelding 1). Als belangrijkste bescherming geldt de benige oogkas. Daarnaast zijn er de zachte weefsels in en rond de oogkas en de oogleden. De rand van de boven en onderoogleden moet goed aansluiten aan de oogbol. De ooglidrand hoort dus niet naar binnen of naar buiten om te krullen en de oogspleet hoort qua lengte goed bij de grootte van de oogbol te passen. Bij de meeste gewervelde dieren bestaat naast de boven en onderoogleden nog het zogenaamde "derde ooglid", een plooivormig uitgroeisel van het bindvlies, dat vanuit de binnenooghoek

oog1Afbeelding 1: Schematische voorstelling van het hondenoog.

Als bescherming voor de oogbol komt als de oogbol naar achteren wordt getrokken. Honden en katten kunnen de oogbol bij "gevaar" in de oogkas terug trekken. Bij de mens is van het derde ooglid nog slechts een restant in de binnenooghoek aanwezig. Het derde ooglid heeft, evenals het boven en onderooglid, een zeer belangrijke, beschermende functie. Bovendien bevat het een traanklier die voor ongeveer 30% van de totale traanproductie zorgt. Door deze en andere traanklieren wordt het traanvocht geproduceerd. Hierdoor wordt de buitenzijde van de oogbol, vooral het hoornvlies, tegen uitdroging en infecties beschermd. De wand van de oogbol zelf bestaat uit een witte laag bindweefsel (harde oogrok of sclera) die rondom aanwezig is. Aan de voorzijde gaat deze over in een doorzichtig deel, het hoornvlies (cornea). Dit kan worden gezien als een venster, waardoor licht en beelden het oog kunnen binnenkomen. Aan de achterkant van de oogbol bevindt zich in de harde oogrok een opening, waardoor de oogzenuw het oog verlaat.

Binnenin de oogbol zijn van voor naar achter, de volgende structuren aanwezig (afbeelding 1). Direct achter het hoornvlies ligt de voorste oogkamer die met een waterig vocht, het kamerwater, is gevuld. Aan de achterzijde wordt de voorste oogkamer begrensd door het regenboogvlies (iris), dat meestal bruin van kleur is. Centraal in de iris bevindt zich de pupilopening die door de werking van spiertjes in de iris kleiner en groter kan worden. In fel licht wordt de pupilopening klein, bij duisternis wordt de pupil groot. De pupil is vergelijkbaar met het diafragma van een fototoestel. Achter de pupil en iris bevindt zich de lens, waarmee het binnenkomende beeld op het netvlies wordt scherpgesteld. De lens moet daarom helder zijn. Troebeling ervan verslechtert het gezichtsvermogen. Troebelingen van de lens worden "grijze" of "grauwe" staar (cataract) genoemd. De lens is met een groot aantal ophangbandjes aan de wand van de oogbol bevestigd. Als (een deel van) deze draadjes degenereert, vergelijkbaar met "materiaalmoeheid", kan de lens losraken. Dit is meestal het begin van grote, snel verlopende problemen in de oogbol. Vooral de optredende verhoogde oogdruk (glaucoom) leidt snel tot een blijvende blindheid en een (zeer) pijnlijke toestand. Achter de lens bevindt zich het glasvocht (vitreum), dat uit een geleiachtige substantie bestaat. Deze substantie vult het achterste deel van het oog verder op. De achterzijde van het oog is aan de binnenkant bekleed met een tweetal vliezige lagen, namelijk het netvlies (retina) en daarachter het vaatvlies (choroidea). Het vaatvlies bevat zeer veel bloedvaatjes, die de meeste onderdelen van het oog van voedingsstoffen en zuurstof voorzien.

Het netvlies bestaat uit een dunne, doorzichtige laag zenuwweefsel, waarop het beeld wordt geprojecteerd. In het netvlies liggen twee soorten lichtgevoelige cellen, de staafjes en kegeltjes. De staafjes doen hun werk (zijn "ingeschakeld") in situaties met weinig licht (duisternis, schermerdonker). Met de staafjes kan alleen een zwart/wit beeld worden gezien. De staafjes zijn bij de hond veruit in de meerderheid. De kegeltjes werken in situaties met veel licht en zijn in het netvlies van de hond maar schaars aanwezig. Door kegeltjes is het mogelijk kleuren te zien. De door de staafjes en kegeltjes ontvangen lichtprikkels komen via zenuwbaantjes terecht bij de "blinde vlek". Hier worden alle zenuwvezels vanuit het netvlies gebundeld in de oogzenuw. Via deze zenuw en via de daarvan afgeleide zenuwbanen worden de signalen naar de hersenschors geleid, waar alle afzonderlijke prikkels tot een beeld worden samengevoegd. Zo komt het eigenlijke "zien" tot stand.

Gezondheidsonderzoeken-online (Database Raad van Beheer), met daarin alle uitslagen. De NVJRT publiceert de uitslagen ook, klik hier.

 

BewarenBewaren