FCI- standaard no. 345, 05-12-2012/EN

 

LAND VAN OORSPRONG: Engeland

LAND VAN ONTWIKKELING: Australië

PUBLICATIEDATUM VAN DE ORIGINELE GELDIGE STANDAARD: 25-10-2000

 

GEBRUIKSKENMERKEN:

Een goede werkende terriër met het vermogen om onder de grond te gaan. Een uitmuntende gezelschapshond.

 

KLASSIFICATIE FCI:

Groep 3: Terriërs

Sectie 2: Kleine Terriërs

Met werkproef

 

BEKNOPTE GESCHIEDENIS:

De Jack Russell Terriër vindt zijn oorsprong in het Engeland van de 19de eeuw, dankzij de inspanningen van Dominee John Russell. Hij ontwikkelde een stam Foxterriërs, die paste bij zijn behoefte aan een hond die met de Foxhounds mee kon lopen en die onder de grond kon gaan om de vos en ander schadelijk wild te "laten springen" uit zijn hol. Er ontstonden twee variëteiten met fundamenteel gelijkvormige standaarden, behalve in verschillen, voornamelijk in hoogte en verhoudingen. De grotere, vierkantere hond is bekend als de Parson Russell Terriër en de kleinere, iets langer gebouwde hond is bekend als de Jack Russell Terriër.

 

ALGEMEEN VOORKOMEN:

Een sterke, actieve, lenige, werkende terriër met een geweldig karakter en een flexibel lichaam van gemiddelde lengte. Zijn vlugge bewegingen passen bij zijn levendige uitdrukking. De staart kan, naar keuze, al dan niet gecoupeerd worden en de vacht mag gladharig, ruwharig of "broken" zijn.

 

BELANGRIJKE LICHAAMSVERHOUDINGEN:

De gehele hond is langer dan hoog, d.w.z. rechthoekig

De lichaamsdiepte van schoft tot onderzijde van de borstkas behoort gelijk te zijn aan de beenlengte van elleboog tot de grond.

De omvang van het lichaam achter de ellebogen behoort ongeveer 40-43 cm te zijn.

 

GEDRAG/TEMPERAMENT:

Een levendige, alerte en actieve terriër met een levendige, intelligente uitdrukking. Moedig en onbevreesd, vriendelijk maar zelfverzekerd.

   

 

HOOFD

 

SCHEDEL GEDEELTE:

Schedel: De schedel behoort vlak te zijn en van een gemiddelde breedte, die geleidelijk smaller wordt naar de ogen en toeloopt in een brede voorsnuit.

Stop: Duidelijk gedefinieerde stop, die niet te uitgesproken mag zijn.

 

AANGEZICHTSGEDEELTE:

Neus: Zwart

Voorsnuit: De lengte van de stop tot de neus behoort iets korter te zijn, dan de lengte van de stop tot de achterhoofdsknobbel.

Lippen: Goed aansluitend en zwart gepigmenteerd.

Kaken en gebit: Zeer sterk, diep, breed en krachtig. Sterke tanden, die sluiten in een schaargebit.

Wangen: De wangspieren behoren goed ontwikkeld te zijn

Ogen: Klein, donker en met een levendige uitdrukking. Mogen niet bol zijn en de oogleden moeten goed aangesloten zijn. De oogleden moeten zwart gepigmenteerd zijn. Amandelvormig.

Oren: Knopoor of hangend oor, van goede structuur en grote beweeglijkheid.

 

HALS: Sterk en droog, geschikt om het hoofd in balans te dragen.

 

LICHAAM:

Rug: Recht. De lengte van schoft tot staartaanzet moet iets groter zijn dan de hoogte van schoft tot de grond.

Lendenen: De lendenen behoren kort, sterk en goed gespierd te zijn.

Borst: De borst is eerder diep dan breed, met voldoende afstand tot de grond, zodat de onderzijde van de borstkas zich  halverwege de grond en de schoft bevindt. Vanuit de ruggengraat behoren de ribben goed gewelfd te zijn, waarna ze vlakker worden naar de zijden toe, zodat de omvang  achter de ellebogen te spannen is met twee handen (span ongeveer 40 -  43 cm).

Punt van het borstbeen duidelijk voor de schouderpunt.

 

STAART: Mag hangen in rust. In beweging moet de staart omhoog gedragen worden en wanneer gecoupeerd, behoort de staartpunt op dezelfde hoogte gedragen te worden als de oren.

 

LEDEMATEN

 

VOORHAND:

Schouders: Goed schuin naar achter liggend en niet zwaar beladen met spieren.

Voorbenen: Recht van bot van de elleboog tot de tenen, zowel van voren als van opzij bezien.

Opperarm: Van voldoende lengte en met voldoende hoeking, zodat de ellebogen onder het lichaam kunnen staan.

 

ACHTERHAND:

Algemene verschijning: Sterk en gespierd, in balans met de schouderpartij.

Knieën: Goed gehoekt

Achterbenen (Middenvoet): Parallel, bezien van achteren in vrije stand.

Hakken: Laag geplaatst.

Voeten: Rond, hard, stevige voetzolen, niet groot, tenen matig gewelfd, niet in- of uitdraaiend.

 

GANGWERK/BEWEGING: Vrij, zuiver en veerkrachtig.

 

VACHT:

BEHARING: Mag glad, "broken" of ruw zijn. Moet weersbestendig zijn. Vachten mogen niet veranderd worden (door trimmen) om glad of “broken” te lijken.

 

KLEUR: Wit MOET overheersen met zwarte en / of tankleurige aftekeningen. De tankleurige aftekeningen kunnen van de lichtste tot de warmste tankleur (kastanje) zijn.

 

MAAT EN GEWICHT:

Ideale hoogte: 25 cm  tot 30 cm

Gewicht: Dusdanig dat 1 kg gewicht met 5 cm hoogte overeenkomt. Dat houdt in dat een hond van 25 cm hoogte ongeveer 5 kg behoort te wegen en een hond van 30 cm hoogte 6 kg behoort te wegen.

 

FOUTEN: Elke afwijking van de voorafgaande punten moet aangemerkt worden als een fout en de ernst waarmee de fout aangemerkt moet worden, moet in juiste verhouding staan tot de mate waarin hij voorkomt en het effect van deze fout op de gezondheid en het welzijn van de hond en zijn vermogen zijn oorspronkelijke werk te verrichten. De volgende afwijkingen echter behoren in het bijzonder bestraft te worden:

·         Gebrek aan de juiste terriërkenmerken

·         Gebrek aan balans, d.w.z. overdrijving van welk punt dan ook

·         Trage en ongezonde gangen

·         Fout gebit

 

DISKWALIFICERENDE FOUTEN:

·         Agressieve of overdreven schuwe honden

·         Elke hond, die duidelijk lichamelijke afwijkingen of gedragsafwijkingen

vertoont.

 

NB. :

Mannelijke dieren behoren twee, duidelijk normale testikels te hebben, die volledig zijn ingedaald in de balzak.

 

Laatste wijzigingen FCI : 05-12-2012 staan in ‘vet’


Rasstandaard 5-12-2012-engels.doc